[./page_2.html]
[./index.html]
[Web Creator] [LMSOFT]
buro REDSUM
  
      DIESELPEST
DIESELPEST, de keerzijde van de biogene brandstof

(door: Jan Hager)

WYNS. De nachtmerrie van menig schipper is de angst voor de veelbesproken bacterie in het brandstofsysteem aan boord. Grijsbruine glibberige smurrie dat ontstaat in water onderin de tanks; dat zich door het hele systeem verspreidt, dat de filters verstopt en uiteindelijk de motor het zwijgen oplegt; ook aggregaat en kachel weigeren verder dienst. Dieselpest!

Hoe zorgvuldig je ook omgaat met je brandstof, je kunt nooit helemaal zeker weten dat er geen water in je tanks terecht komt. Of bij het bunkeren, of door condens of via ontluchting of langs de vuldop; er kan altijd enig water binnen komen. Door het hoger soortelijk gewicht zakt dat water direct naar de bodem, waar het zich verzamelt op het laagste punt.
In die biotoop, op de grens van water en diesel, ontstaat de dieselpest en groeit de bacterie daar uit tot een sliertige geleiachtige substantie. Komt het schip daarna in beweging of gaat slingeren, dan wordt de dieselpest door de brandstof gehusseld en zet zich af tegen wanden en slingerschotten. Komt daardoor ook in de leidingen terecht en wordt door de filters opgevangen. Dan is het een kwestie van tijd tot die verstopt raken en het akelig stil om je heen wordt.

Zweedse milieudiesel

Problemen met dieselpest doen zich in Scandinavië veel vaker voor sinds Zweden biobrandstof – als koolzaadolie en/of ethanol - toevoegt aan de diesel en gasolie. Enkele weken na het bunkeren komt het pas aan het licht en vooral na een slingerende oversteek van Kattegat of Oostzee.
Het heeft er alle schijn van dat de samenstelling van de ‘miljødiesel’ een extra aanjager is van de groei van de bacterie. En dat niet alleen aan boord, maar ook in de bunkertanks op de wal. Ook daar kan men nauwelijks voorkomen dat er water binnendringt, zeker niet als de inhoud van de tanks een lage doorloopsnelheid heeft, zoals buiten het seizoen. Wie dan het laatste restje uit de tanks van de wal krijgt, loopt grote kans besmette diesel binnen te krijgen, dat zich gretig nestelt in de tanks aan boord.
De dieselbacterie is er natuurlijk altijd al geweest en menig schipper of visserman heeft zich suf moeten werken met filters, spoelen en poetsen om de smurrie kwijt te raken. Toch kreeg hij het probleem, dankzij de eerdere hoogzwavelige gasolie en de ‘rechtuit’ dieselmotor, uiteindelijk onder controle. De restdeeltjes verbranden wel en verdwenen door de uitlaat. 
De toekomstige situatie is juist het tegengestelde: de (common-rail) motoren worden alsmaar fijngevoeliger en schoner, waar elektronica het systeem meedogenloos bewaakt; de brandstoffen worden steeds verder veredeld en verschraald om de uitstoot terug te dringen. Die combinatie vereist een volmaakt betrouwbaar  brandstofsysteem, waarin elke onregelmatigheid funest is en de motor meteen het zwijgen wordt opgelegd.



Preventie is bittere noodzaak

Als dieselpest eenmaal aan boord is ontdekt, moet er snel worden ingegrepen. Naast de voedingsbodem van water onttrekt de bacterie ook nog eens uit de diesel alle aanwezige waterdeeltjes en groeit daardoor alsmaar door. Om de dieselpest kwijt te raken moet het volledige brandstofsysteem tot op het bot worden schoongemaakt; tanks, afsluiters, leidingen, filterhouders en filters van hoofdmotor en van alle andere dieselgebruikers. Spoelen alleen is niet voldoende, ook het inwendige van tanks en slingerschotten moet tot in de verste hoekjes schoon. Daarna moet toevoeging van een chemische bacteriedoder aan nieuwe diesel herhaling van de narigheid voorkomen.

Per 1 januari 2009 geldt de EU-richtlijn dat motorbrandstoffen, als diesel, zwavelvrij moeten zijn (NEN-EN 590) en dat er minimaal 4,5% biogene brandstof moet zijn toegevoegd. In 2010 moet dat 5,75% zijn en in 2020 zelfs 10%. Daarmee krijgt ook Nederland op grote schaal te maken met mogelijke narigheid van de ‘milieudiesel’. Niet alleen de watersport en beroepsvaart, maar ook de camper die lang stil staat, moet zich serieus voorbereiden op toename van de risico’s.

 Die voorbereiding begint bij de technische uitrusting aan boord:
-           elke brandstoftank zou voorzien moeten zijn van een ‘waterzak’ met aftapkraan, zodat eventueel water regelmatig kan worden afgetapt. Is er nog geen waterzak aanwezig, probeer dan in de bodem van de tank een huiddoorvoer met slangtule van 50 mmØ te plaatsen; hieraan koppel je een stuk slang van minimaal 200 mm lang met aan beide einden van de slang een kraan. Water zakt dan in de slang en kun je eenvoudig aftappen.
-           plaats direct na de tank in de leiding, vóór de gebruikers, een filterset met keuzeschakelaar; de filters moeten een waterseparator hebben. In geval van water of vuil wordt dit meteen opgevangen voordat het naar de motor gaat en kun je overschakelen naar het tweede filter, terwijl je de eerste kunt aftappen, schoonmaken of vervangen.

Zelf moet je daarnaast als schipper permanent oplettend zijn.
-           Zorg dat er tijdens het tanken geen (regen)water mee naar binnen kan komen.
-           Controleer of tankdop, vulopening en ontluchting geen water doorlaten, vooral bij zeegang.
-           Controleer of drinkwater of bilgewater niet bij de diesel kan komen.
-           Zorg er voor dat er geen condenswater in de tank kan ontstaan: tank vrij van de huid houden.
-           Tank helemaal afvullen vóór een langere periode van stilliggen, zoals winterstalling
-           Regelmatig de waterzak van de tank aftappen, vooral na tanken.
-           Tank bij de gerenommeerde merkstations, waar de doorloopsnelheid hoog is.
-           Hou nauwkeurig bij waar en hoeveel diesel getankt is, zodat je bij later opduikende dieselpest mogelijk verhaal kunt halen.